De dag van wacht

Beblauwdrukt al, nog veilig gecoconeerd,

tegen regen en ruisend opkomend tij,

het boos gebroos van buiten; het trekt hier,

in colonne, onwetend maar stapvoets

voorbij. Tijd verzakt langzaam tot een punt

van wachten, en precies daar: ze krast even,

breekt, ze sleept zich aan en sleept zich weer

een baan terug. Het ontluiken gloort al vroeg

die dag en toch gaat er nog een hele cyclus..

Dan breekt  daar eindelijk de dag van wacht.

Met zekere willekeur nog die langzaam oplost,

plaats wil maken voor het onlosmakelijke zijn.

Vandaag vangt rondjes als teken aan de wand,

versteent wat wxe0s en gaat nu vangen in groen.

Met een onmerkbare verschuiving ontstaat het:

Hier stapelen zich dromen op, waaien af, gaan,

verweren er en/of spoelen als nieuw weer aan.

Hier waait zelfs de stilte schoon. Rust nu maar,

morgen wordt een lange dag.

11 May 2009
By on 12:35
zo dus:

Zet het voorzetsel achter voor achter en je krijgt een achter achter voor terug!

maar misschien anders

18 September 2008
By on 15:49
Het dient zich aan

De loomheid van het zinderende middaguur, de zon op haar hoogst, zelfs de vliegen hadden een koeler onderkomen gezocht, was voorbij en langzaam begon er weer leven te komen in de kleine vestingstad in het zuiden. De poortwachter werd gewekt uit zijn stiekeme siesta door het geluid van snel naderend rijtuig. Het was geen koopman, daar waren de paarden te statig voor zag hij en bovendien, met zo’n vaart zou al de te verkopen waar het heftig heen en weer hobbelen niet overleven. Met de slaap nog in zijn ogen komt de poortwachter uit z’n hokje dat in de dikke muur verscholen zit.

Iedereen die de stad in wil moet zich melden bij de poortwachter, reden van zijn komst melden en de tijdsduur dat het bezoek duren gaat. De poortwachter dient het overzicht te houden van het wie er zich op welk moment van de dag binnen de muren ophoudt. Verantwoordelijkheid, en het zou niet voor het eerst zijn dat er door de komst van een vreemdeling, die zich zonder iets van de meldingsplicht aan te trekken, oproer uitbreekt waardoor de poortwachter het later op zijn bord krijgt.

Een rijtuig, wild briezende paarden die niet de intentie hebben te stoppen en een koetsier op de bok die geen aanstalten maakt om het denderende rijtuig tot stilstaan te mennen. Met de siesta nog in de benen vloekt de poortwachter binnensmonds. Dit zijn de situaties die hij graag hoort als hij aan zijn dienst begint, niet als hij midden in zijn eigen dienst zit. Hier komt hommeles van, zijn jarenlange ervaring aan de poort zien het en kunnen er niks aan doen. Het is te laat om het gietijzeren hek dicht te laten vallen, het enige dat hij kan doen is midden onder de poort gaan staan en hopen dat de koetsier coulant is.

Dilemma. Verantwoording nemen en zijn leven op het spel zetten, of het eigen hachje redden?

Een vlugge blik achter zich de stad in leert de man dat het nog stil is op straat. Niemand zal zien dat hij niet heldhaftig en roekeloos een op hol geslagen wagen probeert te stoppen. Met een klein stapje naar rechts staat hij in de deuropening. Het geluid zwelt aan tot de koets, zonder vaart te minderen de stad in scheurt. Een verkoelende windvlaag wappert achter de koets aan, tijd om in actie te komen.

Rennend, zo goed en kwaad dat gaat in zijn beschermende kleding volgt de poortwachter de koets. Regelrecht richting marktplein. Steeds verder raakt hij achter, de koets is al lang uit het zicht verdwenen, maar overal waar hij komt wordt hij door mensen die, evenals hij een paar minuten eerder ruw uit hun siesta zijn gewekt, in de goede richting geloodst. Wijzend en de situatie niet goed begrijpend, want de poortwachter sluit normaliter de poorten in dit soort situaties, hangt men uit het raam.

Er gebeurt iets in de stad. Met de mensen.

Buiten adem komt de poortwachter aan op het grote plein in het midden van de stad. Daar staat het rijtuig, de koetsier staat er naast en is de paarden aan het roskammen, alsof er niets is gebeurd.

Uit de straten en stegen die uitmonden op het plein komt volk toegestroomd. Verbaasde monden hebben het over de komst van een rijke edelman, misschien zelfs wel de prins want zulke mooie paarden heeft zelden iemand gezien. Het zwarte, stijlvolle kostuum van de koetsier verraad ook dat de geblindeerde wagen iemand van hoge komaf herbergt. De spanning onder het volk neemt toe, wie kan er zo’n haast hebben dat hij zich niet bij de poortwachter meldt? 

De doorgang naar de koets wordt door de massa mensen bemoeilijkt voor de poortwachter. Hij is verantwoordelijk voor de ontstane onrust, hij moet ingrijpen maar het lukt niet. Het gedrang is te groot, de mensen zijn te opgewonden door de mogelijke komst van de prins, hij komt er niet doorheen.

Op de trap van het stadhuis verschijnt de burgervader. Ook hij is ruw gewekt ziet de poortwachter. Gerustgestelder dan hij was ziet hij hoe de burgervader de trap afdaalt waar als natuurlijk een haag mensen hem de doorgang verschaft naar de koets.

Onnatuurlijke stilte.

Collectief ademloos kijkt men toe hoe de koetsier de deur van het rijtuig opent.

De burgervader, slechts op een paar passen verwijderd van de koets, heeft het beste zicht op wie of wat zich in de koets bevindt. Zijn mond valt open als hij terstond op zijn knieen valt.

Dit was niet aangekondigd. Hier is de stad niet op voorbereid. 

 

23 April 2008
By on 09:16
Moddergaats

Waai snijdend buitendijks en plons splet, glij

blubber van schaats en glad de woei door hals

en vingertop van vries dus steek maar diep

dat water en spring en brak dus hoei en pas

maar op de dijk en groen en rol door poep

van drup en woei. En dan die blauwe lucht

met zicht op ei en land dat soms ook water,

rennen kijken turen met zilt van mooi en

traan

door wind.

25 March 2008
By on 17:32
Dag (Werner Swab)

(Een kaal en leeg appartement.  Bij het raam staat Werner, op een kruk  zit Vrouw S. Op de kruk na is de ruimte leeg.)

Werner

Deze bekisting past zowel goed als kribbe, bruidsschat als als doodskleed. Geboren, schijten, sterven. Leeg. Die kruk moet weg.

Vrouw S.

Ook nog. Hij zit goed. Exe9n kruk kan je goedkeuring toch wel wegdragen.

Werner

Alles moet weg. De leegte zal eindelijk de rust opbrengen om er een krachteloos eind aan te maken.

Vrouw S.

Kom weg bij dat raam, je confronteert me met de schrijnende patstelling die je nodig denkt te hebben om me hier te houden. 

Werner

Dat de betonlege muren blijven staan kan ik al moeizaam verdragen. Het moet. Die kruk heft de leegte in al zijn kleinte geheel op. Het gemaakte van het ding scherft mijn beslissing. Gestorven keer twee gaat er vandaag.

Vrouw S.

Als ik zou willen zou ik weg kunnen.

Werner

Jij die blijft zoeken naar uitwegen die simpelweg niet bestaan.  Ja, als jij de overkant haalt ben je vrij, dat de loze inhoud van mijn woorden je totaal zijn ontgaan blijft het grootste raadsel. Het is mensachtig te blijven hopen op een betere toekomst, zelfs als de waarheid zich als een op hol geslagen wals aandient. Jij bent zo walgelijk menselijk.

Vrouw S.

Wat zie je?

Werner

Kom zelf kijken. De aanblik is wanstaltig. Misschien zie je dan de onlosmakelijkheid van onze afspraak in. Dringt het tot je door dat jij je niet in een patstelling bevindt maar dat het veeleer een uitgemaakte zaak is dat we zometeen nog zullen beslissen tot de ultieme levenstaak over te gaan.

Jij zult met dat lijf van je eens van die kruk af moeten komen, en hier naast mij, zij aan zij, staan, om het infantiele maskerspel van het menselijk ras te overzien.

Vrouw S.

Ik wil niet meegaan in de waanvoorstelling die jij voor het leven houdt. 

Werner

Geen waanvoorstelling,   

Vrouw S.

Jij. Ik ben niet overtuigd. 

Werner

Kijk dan. De overkant vult zich met volgzame werkers. Krioelende graflopers overal. Je zal die overkant niet halen want ik kijk naar je.

Vrouw S.

Of ik het halen zal.

Werner

Daar de gruweldaad vol mensenslijkzucht.

De potsierlijk walmende massa lilvlees stroomt van onuitzichtelijk krot naar designkantoormeubelhaven. Van echtelijke zaadspilzucht naar wulps secretaresse-gepiep. Machinerie van machtswellustig doorworstelen.

Er wordt gehaast. Men scheurt kalender na kalender de vernieling in door de hele kloterij draaiende te houden. Daar de hele kwelling is dat de kloterij draaiende gehouden dient te worden. Met een statige precisie, met oogkleppen aangerijkt door het machtsblok in het pluche, worstelt die massa zich als pompend lijdensplasma naar hun negen tot vijf bestemming.

Vrouw S.

Sluit het raam.

Werner

En dan? Jouw barbaars mismaakte lichaam spiegelt in al haar onvolkomendheid de eruptie van de hysterische volgdwang daarbuiten. De massamens daar, over elkaar heen rollend om zich voorkomend in de hierarchie omhoog te likken, spuit hier door deze ruimte. Het incubeert in jou. Jij bent vatbaar gebleken. Gexefnfecteerd zit jij te wachten tot de wijzers van die maalstroom je opslokken. Het doet je niks. Helemaal niks. Je hebt je laten gaan en zonder omhaal ben je ingehaald door het gemakzuchtelijke zijn van je broeders en zusters, die ik, ook al is het raam dicht, door mijn verkankerde merg voel kruipen.             

Vrouw S.

Wat wil je dat ik doe Werner?

Ja, het conformistische zijn kwelt mij evenzeer als dat het jou aangrijpt.

Werner

Aangrijpt!? Het is tot diep verankerd! Het kiert door het hele zijn van het alles. Het vult deze ruimte met een loddig smegma van mismaaktheid. Een orgastisch delerium is het.    

Vrouw S.

Denk je dat het mij aanzet tot het voelen van een euforisch geluk? Hoeveel passages ik uit mijn minuscule autobiografie moet schrappen om tot een overzicht te komen van het geluk dat ik, als ware het van hogerhand opgelegd, moet voelen? Niks blijft er over, maar ik moet en zal me overgeven aan het grote buiten omdat dat de enige manier is.

Werner

Onzin

Vrouw S.

Niks geen onzin

Werner

Jij verkiest het simpel verhoereren aan de verotte maatschappij boven de weerstand die je moet voelen. Dat is precies het passief-agressief kuddediergedrag  dat de staat van je verwacht. Ze willen de mens dommer en volgzamer. Jij bent het incuberen voorbij. De sluimerstilte heeft kut gezaaid.    

Vrouw S.

Dan is het tijd te gaan.

Werner

Je gaat niet. Er gebeurt niks. Jij en ik leven in het vacuum dat de mensheid over het hoofd ziet. Wij vallen hier niemand lastig. We staan aan de zijlijn van het verotte zijn en door dit raam observeren wij. Er wordt geen acht geslagen op ons, hier hoog boven het kolkende geneuzel daar omdat wij dat kolken verachten.

Vrouw S.

Werner, kom weg bij dat raam, kom even bij me.

Werner

Er bestaat geen groots en meeslepend wij als in: jij, ik, en de wereld daar. Een sadistisch doemlot heeft ons samen in de marge geflikkerd om daar in oorverdovende stilte te creperen tot er niks meer is dan twee gebleekte karkassen. Wij en zij zijn gescheidden om nooit meer  tot een instemmend copuleren te komen. Al zouden we willen. Jij gaat dus nergens heen.

Vrouw S.

Mijn afwezigheid zal opgemerkt worden. Misschien niet direct, maar op den duur zal mijn lege werkplek voor vragen zorgen. Mijn meerdere zal melding maken bij zijn meerdere en die zal het weer aan hoger doorspelen. Op den duur zal er contact gezocht worden. Men zal naar me op zoek gaan.

Werner

Ha. Diep van binnen kronkel ik door, en van, het waninzicht dat zich meester heeft gemaakt van je tere gedachtenbrij.

Vrouw S.

De cassixe8re zal na een aantal dagen doorhebben dat ik niet meer verschijn.

Werner

Je gecorrumpeerde blik zoekt wanhopig naar een erkenning die er simpelweg niet is en nooit zijn zal. Het individuele zieltje waar jij je zo aan vastklampt is in haar alles  precies zo inwisselbaar als de non-keus

Vrouw S.

Medereizigers op lijn 4

Werner

van het veertienjarig heroxefne-hoertje dat moet kiezen tussen twee schuurversleten lingeriesetjes. Het doet er simpelweg niet toe.   

Vrouw S.

Ooit zal er iemand komen om me te zoeken

Werner

Het doet er niet toe.

Vrouw S

Ze gaan komen.

Werner

Er zal niemand komen. Nooit. Er zal klakkeloos worden vergeten. De machinerie moet draaiende gehouden worden en kapotte onderdelen worden vervangen. Er zal even stilgestaan worden bij het feit dat er een onderdeel verdwenen was totdat de machine weer geruisloos stoempt en dan wordt er overgaan tot de orde van de dag. Produceren om leep te vergeten. Doorjagen om niet steeds om te hoeven kijken.

Vrouw S.

Familie (Werner lacht)

Bloedbanden verzanden niet. Zij zullen komen.

Werner

Stop met dat laagmenselijk Maslov-gelul.

Vrouw S.

Je bazelt. Simpelweg omdat je met het verkeerde been uit bed bent gestapt. Eet wat, drink wat, voel je beter.

Werner

Het gaat hier om het basale kwijtzijn van voeling. Niet om een meergranenontbijt. Low-fat, low-carb, zie het dan: het eten hierbinnen druipt precies van dat angstgenererende collectivionisme als waarop de wereld daarbuiten drijft. Het slaat als een stervende octopus meerarmig om zich heen. Ik laat me niet grijpen en me de gapende dieperik intrekken zoals alles en iedereen. Het gaat me niet gebeuren dat ik, als ik eindelijk mijn bloemloos testament opmaak, ik moet concluderen dat er hopen te verbeuren zijn. Dat ik materieel opzadel. Dit excuus voor het leven heb ik individueel geleefd, laat mij ook leeg sterven. Daar heeft niemand wat mee te maken.

Vrouw S.

Ik ga weg. Jij mag sterven. Je overschot mag individueel rotten in de hel. Val mij niet langer lastig.

Werner

De hel bestaat niet. Kijk door het raam. Zie je die mensen daar? Dat is het wonderschone voorportaal. Het voorportaal van het allesomvattende niets. Geen hemel, geen hel, alleen het geborchte der kleinmenselijkheid. Blijf hier. er is daar niks. Hier is het goed vergaan.    

Vrouw S.

De hel, dat ben jij.

Werner

Wat maakt het uit. Jou aanzwellend fluimen getuigd op zichzelf al van mijn intrinsiek gelijk. Wat er toe doet is dat het er allemaal helemaal niets toe doet. Door hier te zijn heb jij de afweging gemaakt en jezelf als paria van het grote buiten opgesteld. De juiste keus. Dat moet gezegd. Het enige dat rest is lijdensloos wegkwijnen met het zicht op al het verdorvene daarbuiten.    

Vrouw S.

Ik stap die deur uit. Draai zes trappen af en loop door de hal naar de draaideur. Ik stap het trottoir op en steek de weg over. Laverend tussen de ochtenddrukte vind ik de overkant. Jij kijkt. Er wordt getoeterd en boos geschreeuwd maar ik ben al bijna aan de overkant. Ik ben al bijna geen paria meer, bijna ben ik vrij  om te gaan. Ik ben nerveus omdat ik weet dat jouw ogen mijn rug priemen. Maar het deert me niet, niet meer. Ik verdwijn uit het leven, jou leven, dat misschien nog de kracht opbrengt een paar luttele minuten door te schokken, dan is ook dat allemaal voorbij. Als ik eenmaal de hoek om ben recht ik mijn rug, klop als een fysieke uitwerking van een emotionele reiniging mijn mantelpakje recht, sta even stil, haal een paar keer diep adem en kijk om me heen. Een hernieuwd leven dient zich aan.

Werner

Jij, jij bent hier degene met waanvoorstellingen.

Jij bent, door het besef dat ik sta te kijken, zo opgelaten als je beneden op die trottoirband staat, dat je niet eens over durft te steken. Je zal je hoofdje omdraaien, omhoog kijken en mij zien staan. Precies zo ik nu sta. Armen over elkaar, en dan, na die luttele seconden die een eeuwigheid lijken, staar ik jou de straat op. Je doet een wankele stap naar achteren en struikelt. Achteruitvallend donder je tussen de geparkeerde autox92s uit de rijbaan op. Zo, met dat lieflijk domme hoofdje van je tussen het rechtervoorwiel van een net passerende schoolbus vol met kinderen en de natgeregende straat. Je brein vult het poreuze oppervlak van het kobaltblauwe asfalt. Mensen zullen zich omdraaien en in een cirkel om je onthoofde corpus komen staan kijken. Ze kijken en schieten plaatjes. Zo ben je tot een mooi verhaal voor tijdens de lunch van het klootjesvolk geworden.

Ik ben nog niet klaar.

Precies als iedereen genoeg heeft van het in tweede instantie toch niet zo verrassende plaatje, want variatie op hetzelfde eeuwenoude thema: dood, stort ik me door dit raam naar beneden en  breek elk sprietje in mijn lijf als ik op jouw ontzielde lichaam terecht kom. Zo sterven wij dan alsnog samen. Zo zal het gaan als jij door die deur besluit weg te gaan.

Vrouw S.

De hardgrondigheid waarmee ik je haat is onpeilbaar.

Werner

Ga dan, dan verotten we samen

Vrouw S.

Die taal van jou, die als bloed uit je mond gulpt. Jouw apocalyptische zelfnijd asemt hier als bezwangerend door dit leeghulzerige krot. Hoe onheilspellend  en onoverkomelijk het zwartgallig toekomstvisioen ook moge zijn, ik laat mij niet meer sturen door het depressieve schertsbeeld van meneertje Werner.

Werner

Schertsbeeld

Vrouw S.

Houd dicht die braakwaterval.

Als een verlegenzacht bevruchte eicel nestelt de haat voor jou zich op dit moment diep in mijn moederschoot. De pijnlijke waarheid is dat ik haar laat uitgroeien. Geen brijnaalden storen deze zwangerschap. De haat die ik voel zal ik tot zijn volle wasdom koesteren. Jij zet geen stap meer. Het groteske van jou plaatsing van het x91ikx92 buiten de maatschap is op zx92n minst laagmoedig, laat mijn walging dan al even grotesk zijn en als dolken jou ruggewervels doorklieven. Ik blijf hier nog even en dan laat ik je vezel voor vezel kapotgaan. Daarom blijf ik. Jou straf zal zijn dat er tot het onafwendbare eind maar geen eind aan zal komen.

Werner

Kotsen moet ik van zoveel individuele zelfbevlekkende gevoelsniksen in dat naxefeve smoelwerk van je. Achter die gaten in je kop huist het onuitsprekelijke niets. Kijk naar buiten vrouw S. Zie in het eindeloos herhalen van zetten daar, op dat trottoir, en met dat trottoir in de hele kloterij, een mislukte partij schaak. Die patstelling vindt niet plaats tussen jou en mij. Het is er xe9xe9n daarbuiten.

Blijf hier.

Wij hebben de vrijheid niet in die patstelling plaats te hebben. Ha. Voel dan die vrijheid om egoxefstisch te creperen. Als je dan niet kapot teert daar de haat voor mij je op de been houdt, teer dan weg door naar buiten te kijken.

Vrouw S.

Ik wil niet naar buiten kijken. Er is daar toch niets te zien.

Werner

Niets te zien? Is er niet te zien dat de evolutie sinds het onstaan van iets nieuwmenselijks zich in rasse schreden omgekeerd evenredig achter zijn vergissing heeft geschaard en zx92n fouten probeert goed te maken door de soort al haar intellect te laten steken in haar eigen ondergang. Dat de evolutie over het hoofd ziet is dat de soort in stupiditeit zichzelf voorbijgetreefd is waardoor zelfs de eigen ondergang in het nauw komt. Kijk, zie ik daar dan geen geliefden. Zie ik niet dat ze de handpalmen tegen elkaar aangedrukt hebben, zich geen weet van de omgeving, dat ze naar een goedkope hotelkamer onderweg zijn om copulerend hun liefde na te ijveren, zie ik dat dan niet? Dat daar nieuw leven van komt? Die walgvrucht van onwetendheid herhaalt op zijn of haar beurt de daad van de ouders, niks wijzer geworden uiteraard, omdat het ras te dom is. Het uitdijen moet een halt toegeroepen worden, maar kan geen halt toegeroepen worden omdat er simpelweg een overschot is. Met zox92n overdosis mentale onkunde wil ik niets te maken hebben . Hoef ik niets te maken, zie ik dat allemaal niet? Houd je mond. Kom hier en vul die leegblikkerige staar van je. Laaf je aan het lege buiten.

Blijf.

Jou, als vooruitgeschoven post van dat zielige leger hier in mijn Leibraum, bied ik de unieke kans op verandering.

Vrouw S.

De verandering die jij maar blijft aandienen is niet de verandering die ik wil.

Werner

Het is te laat te denken dat het anders zou moeten, zou kunnen. Te laat om in te zien dat er nooit sprake is geweest van moeten, kunnen of ook maar welk willen ook. Het individu is altijd een utopie gebleken en gebleven van stoffige weldenkers decennia her. Wij leven in dit nu. Plaatsingsloos voor jou, geen plek voor vrouw S., ruimtegebrek voor mij. Wij als enigen hebben de wereld door.

Vrouw S.

Jij hebt op volstrekt waanzinnige wijze een vorm gevonden om je manie ruimschoots in te ventileren. Je woorden schieten raspende wonden in mijn terughoudendheid. Je ongelijk is bijna overtuigend.   

Werner

Het is overtuigender dat niet te zijn.

Vrouw S.

Zo nadert dan blijkbaar toch onherroepelijk het uur dat er niet meer gesproken hoeft te worden. Niet meer gesproken kan worden. Alle woorden zullen van dat punt overbodig zijn. Ik zal me neerleggen bij dat wat jij allang besloten hebt. Het zal voor jou makkelijker zijn dan voor mij. Laat me dan nog een keer van het uitzicht genieten.

Werner

Er is niets te zien daarbuiten, niets anders dan anders. We kennen de traumatische waarheid.

Vrouw S.

Dan is daarmee de tijd gekomen.   

Werner

Waar ga je heen?

Blijf hier.

Vrouw S.

Ik stap die deur uit

(Vrouw S. opent de deur en gaat weg, zachtjes sluit ze de deur)

Werner

Blijf hier vrouw. Buiten is niets. Kom terug en ga dan in ieder geval hier met mij ten onder. Er valt daar niets te winnen. Kom terug.

(Werner pakt de kruk en gooit hem door het raam.)

(Donker)

19 March 2008
By on 08:10
Breekbaar

Bij de lege waterput was het geweest dat het meisje doorhad dat het allemaal helemaal niet in de haak was. Er was een zacht gekerm hoorbaar geweest. Niet duidelijk te onderscheidden in het geroezemoes van de opstartende ochtend maar ze had het voor zeker gehoord. Langzaam had ze haar hoofd wat gekanteld om de oorsprong van het geluid te vinden. Spits luisterend. Nee, het was weer stil. Ze had, om haar hand aan haar oor te brengen om zo een trechter om haar oorschelp te maken, de mand met broodjes op de grond gezet. Nu, bij het uitblijven van het klagende gekerm had ze zich gebukt, de mand alweer in beide handen geklemd en zo bukkend hoorde ze het weer. Uit de put, wist ze op dat moment zeker. In die schok van het besef dat de waterput weer van zich liet horen schoten alle verhalen van vroeger door haar hoofd. Hoe oma vertelde over de dolende ziel van de verliefde jongen. De jongen die zich, om het huwelijk te ontlopen, na een mislukte vluchtpoging op een vroege ochtend had verdronken in de put. Deze put. Ze had de verhalen eng gevonden toen ze jong was. De put altijd vol angst voorbijgesneld. De verhalen uit haar jeugd waren ingesleten en van angst was de laatste jaren geen sprake meer geweest. Nu was het paralyserende beven helemaal terug. Als versteend stond ze daar, en alsof de kermende stem uit de put op haar had gewacht begon deze steeds harder aan zijn repeterende klaagzang. Zonder woorden, heel helder snuivend bracht de jonge jongensstem keer op keer zijn verhaal. Het meisje, eerst nog vol van angst luistert en raakt in diepe trance. Angst die langzaam overgaat in ontroering tot een vol verdriet zich meester heeft gemaakt van haar intrinsieke zijn. Haar leven zal nooit meer zo zorgeloos zijn als dat het vanochtend nog was.

29 February 2008
By on 15:14
lunchvoelig opperen

geen bagatel als Ad bagel at:

Kies kraamkaas, keuze kalfs-,

vlees voor vulling? vraagt vrouw

en eerst even eindeloos emmeren

over of olijven oftewel ommezwaai

tot tomaat. Teveel  tekst tekent ‘t

menu, met minder mogelijkheden mocht

ik immers in ijzingwekkende impasse

belanden. Bijna barst bonkende boven-

kamer. Keuze keukenzout/klepzout kinkt

als akelige apotheose alras alles asgrauw.  

22 February 2008
By on 11:27
gedachtenval

Ik zeg niks, al heel lang zeg ik niks, houd ik mijn mond en jaag ik daarmee mensen tegen me in het harnas. Mensen hebben er moeite mee dat er iemand tegenover ze zit of staat die niet reageert. Dan horen ze hun eigen lawaai, hun schreeuwerigheid. Ze worden harder  geconfronteerd met hun eigen  lege woorden als het stil blijft na wat ze gezegd hebben. een niet te vullen leegte.

Dat ik niks zeg heeft daar niks mee te maken. Het is slechts een mooie bijkomstigheid, de kers op de slagroomtaart.

Ik weet niet of ik nog zou kunnen praten. Het is zo lang geleden dat ik denk dat mijn stembanden het niet meer doen. Dat ze weggerot zijn. Geslonken tot een niks. Als je lang stilzit houden je spieren in je lijf ermee op te bestaan. Waarom zou dat met de stembanden anders zijn? Astronauten hebben na een week in de ruimte, waar geen zwaartekracht is en dus ook geen reden voor je lijf om spierkracht te gebruiken, al twee maanden nodig om te revalideren. Met stembanden zal dat niet anders gaan, al heb ik hier nog wel met de zwaartekracht te maken.  Ik ben geen astronaut. Ook nooit de illusie gehad dat ik er ooit een zou worden ook. Ik heb niet echt een toekomstdroom. is ook lastig als je niks zegt, je droom najagen. Stel je zou toch astronaut willen worden, dan moet je in staat zijn te kunnen communiceren. Communiceren kan ik wel, maar mijn manier van communiceren is niet geschikt voor in een spaceshuttle. Ach. Wat maakt het ook uit.

Kluizenaar zou ik kunnen worden, ergens in een hoog dal tussen de bergen. Zandpad dat naar een klein stenen huisje loopt. Uit de schoorsteen kringelt een ijl stroompje rook, ik ben thuis. Sporadisch komt er bezoek van de stilte genieten. Er wordt niks gezegd, men is welkom, bezoekers weten via via dat ik niet spreek en niet zit te wachten op een gesprek. Gelijkgezind zitten we dan naast elkaar te genieten van het uitzicht.

Nee.

Ik zou kapot gaan. Wat de hele dag te doen? er zijn dagen dat er niks gebeurt. Dat er niemand langskomt. Dat het miezert en binnen de enige beschutting te vinden is.

Geen kluizenaar.

Het is geen spannend verhaal.

Ik ben op een dag gewoon opgehouden met praten. Ik zag er het nut niet meer van in. x92s Ochtends werd ik wakker en ik heb niet meer gesproken. Niet bij het ontbijt, niet meer meegepraat met het journaal op de radio, niks meer. In het begin valt het de omgeving helemaal niet op dat je niet praat. Ja, wat ben je stil, hoor je een aantal keer. de eerste week redelijk vaak, maar dat ebt weg na een week. Mensen leggen zich heel snel neer bij beslissingen van anderen. Dus dat ik stil ben is lekker rustig voor de ander. Tot die ander  zelf begint te praten en te denken en te projecteren, dan wordt het ineens een probleem dat ik niks zeg, Ja, dan heb ik het gedaan en moet ik normaal doen en ben ik ineens een freak.

Het is niet zo dat ik stilte opzoek of dat ik rust nodig heb. Omdat ik me niet hoef te mengen in het gesprek blijft er veel ruimte over om te observeren. Kijken naar mensen en hun gedrag heeft me veel geleerd. Zo spreken mensen bijna nooit de waarheid, of, ze zeggen nooit wat ze bedoelen. Als je goed en lang kijkt leer je dat zien. Details.

Mensen vragen wel eens wat de laatste woorden waren die ik gesproken heb. Ik geef natuurlijk geen antwoord, maar dat komt meer voort uit het besef dat ik het niet meer weet. Ik ben het vergeten. Ik weet nog waar ik de avond voor de betreffende ochtend dat ik niks meer zei was, maar wat ik waarom tegen wie heb gezegd is me ontschoten. Triest eigenlijk. Ik streef geen groter doel na, streef niet eens een klein doel na. Gewoon geen zin meer om te praten omdat er genoeg te zien valt en omdat praten zo weinig toevoegt. Zo is het en niet anders.

Ik denk dat het x93dank je welx94 was tegen de buschauffeur bij het uitstappen. De laatste bus die nacht. Het was een goede avond geweest, of niet, eigenlijk maakt het allemaal niks uit. Dank je wel, dat zijn mooie laatste woorden. Vriendelijk wel. Ja, dank je wel zou mooi zijn. x93Dank je welx94

De drempel is nu te hoog geworden om weer te gaan praten. Mijn stem zal me tegen gaan vallen, ik ga niet uit mijn woorden komen, en wat moet ik xfcberhaupt als eerste zin?

Nee, ik hou mijn mond maar wijselijk. Heerlijk.

Misschien praat ik wel in mijn slaap. Dat een mens per dag simpelweg een x-aantal woorden dient te gebruiken, en als je dat niet overdag doet, dan halen je hersens dat x92s nachts, zonder medeweten van jezelf, heel stiekem in. Het lijkt me sterk maar het kan, je weet het niet. Je slaapt. Ik merk wel dat ik de laatste tijd steeds minder in taal droom. Ik droom in beelden die geen zinnen meer vormen, maar een opeenvolging van gevoel geeft. Dus ik denk niet dat ik praat in mijn slaap. Ik voel in mijn slaap. Ik voel hardop als ik droom.

21 February 2008
By on 15:58
wat is dat?

Niet alles wat geschreven wordt

is waar en niet alles wat waar is

wordt geschreven maar,

is dat wel zo?


By on 12:43
stemmen die furieus opgaan

Het wereldwijde Internet zal spoedig de rol overnemen van wat tot op de dag van vandaag te boek gaat als de hegemonie van de televisie. Vrijetijdsbesteding wordt daarmee nog indivi -dualistischer. Was het voorheen als vrijetijdsbesteder reeds mogelijk op een zelf te kiezen kanaal of zender af te stemmen, het aantal zenders bleef beperkt tot een maximum van honderd. Meer kan de technologie van de kijkbuis niet aan. De vulling van de honderd zenders waar op afgestemd kan worden, is, hoe groot de keuzevrijheid ook is, een dwangbuis voor de hedendaagse, met twee benen in deze maatschappij levende mens. Het is voorgekauwd en het vergt een grote mate van aanpassing voor de moderne vrijetijdsbesteder. Wat weet een programmeur, eindverantwoordelijk voor wat de consument te zien krijgt, nu van de vraag van het moment dat er daadwerkelijk wordt uitgezonden? Niks. Het kost tijd, vanaf het moment van verzinnen en schikken, moet het naar drukker, overzichtelijk gemaakt in gidsen, opgestuurd, om uiteindelijk, pak x91m beet zox92n week of vier later dus, op de deurmat te vallen. Langzaam. Nee, dan het nieuwerwetse Internet.

18 February 2008
By on 11:33