Breekbaar
Bij de lege waterput was het geweest dat het meisje doorhad dat het allemaal helemaal niet in de haak was. Er was een zacht gekerm hoorbaar geweest. Niet duidelijk te onderscheidden in het geroezemoes van de opstartende ochtend maar ze had het voor zeker gehoord. Langzaam had ze haar hoofd wat gekanteld om de oorsprong van het geluid te vinden. Spits luisterend. Nee, het was weer stil. Ze had, om haar hand aan haar oor te brengen om zo een trechter om haar oorschelp te maken, de mand met broodjes op de grond gezet. Nu, bij het uitblijven van het klagende gekerm had ze zich gebukt, de mand alweer in beide handen geklemd en zo bukkend hoorde ze het weer. Uit de put, wist ze op dat moment zeker. In die schok van het besef dat de waterput weer van zich liet horen schoten alle verhalen van vroeger door haar hoofd. Hoe oma vertelde over de dolende ziel van de verliefde jongen. De jongen die zich, om het huwelijk te ontlopen, na een mislukte vluchtpoging op een vroege ochtend had verdronken in de put. Deze put. Ze had de verhalen eng gevonden toen ze jong was. De put altijd vol angst voorbijgesneld. De verhalen uit haar jeugd waren ingesleten en van angst was de laatste jaren geen sprake meer geweest. Nu was het paralyserende beven helemaal terug. Als versteend stond ze daar, en alsof de kermende stem uit de put op haar had gewacht begon deze steeds harder aan zijn repeterende klaagzang. Zonder woorden, heel helder snuivend bracht de jonge jongensstem keer op keer zijn verhaal. Het meisje, eerst nog vol van angst luistert en raakt in diepe trance. Angst die langzaam overgaat in ontroering tot een vol verdriet zich meester heeft gemaakt van haar intrinsieke zijn. Haar leven zal nooit meer zo zorgeloos zijn als dat het vanochtend nog was.
