Het dient zich aan
De loomheid van het zinderende middaguur, de zon op haar hoogst, zelfs de vliegen hadden een koeler onderkomen gezocht, was voorbij en langzaam begon er weer leven te komen in de kleine vestingstad in het zuiden. De poortwachter werd gewekt uit zijn stiekeme siesta door het geluid van snel naderend rijtuig. Het was geen koopman, daar waren de paarden te statig voor zag hij en bovendien, met zo’n vaart zou al de te verkopen waar het heftig heen en weer hobbelen niet overleven. Met de slaap nog in zijn ogen komt de poortwachter uit z’n hokje dat in de dikke muur verscholen zit.
Iedereen die de stad in wil moet zich melden bij de poortwachter, reden van zijn komst melden en de tijdsduur dat het bezoek duren gaat. De poortwachter dient het overzicht te houden van het wie er zich op welk moment van de dag binnen de muren ophoudt. Verantwoordelijkheid, en het zou niet voor het eerst zijn dat er door de komst van een vreemdeling, die zich zonder iets van de meldingsplicht aan te trekken, oproer uitbreekt waardoor de poortwachter het later op zijn bord krijgt.
Een rijtuig, wild briezende paarden die niet de intentie hebben te stoppen en een koetsier op de bok die geen aanstalten maakt om het denderende rijtuig tot stilstaan te mennen. Met de siesta nog in de benen vloekt de poortwachter binnensmonds. Dit zijn de situaties die hij graag hoort als hij aan zijn dienst begint, niet als hij midden in zijn eigen dienst zit. Hier komt hommeles van, zijn jarenlange ervaring aan de poort zien het en kunnen er niks aan doen. Het is te laat om het gietijzeren hek dicht te laten vallen, het enige dat hij kan doen is midden onder de poort gaan staan en hopen dat de koetsier coulant is.
Dilemma. Verantwoording nemen en zijn leven op het spel zetten, of het eigen hachje redden?
Een vlugge blik achter zich de stad in leert de man dat het nog stil is op straat. Niemand zal zien dat hij niet heldhaftig en roekeloos een op hol geslagen wagen probeert te stoppen. Met een klein stapje naar rechts staat hij in de deuropening. Het geluid zwelt aan tot de koets, zonder vaart te minderen de stad in scheurt. Een verkoelende windvlaag wappert achter de koets aan, tijd om in actie te komen.
Rennend, zo goed en kwaad dat gaat in zijn beschermende kleding volgt de poortwachter de koets. Regelrecht richting marktplein. Steeds verder raakt hij achter, de koets is al lang uit het zicht verdwenen, maar overal waar hij komt wordt hij door mensen die, evenals hij een paar minuten eerder ruw uit hun siesta zijn gewekt, in de goede richting geloodst. Wijzend en de situatie niet goed begrijpend, want de poortwachter sluit normaliter de poorten in dit soort situaties, hangt men uit het raam.
Er gebeurt iets in de stad. Met de mensen.
Buiten adem komt de poortwachter aan op het grote plein in het midden van de stad. Daar staat het rijtuig, de koetsier staat er naast en is de paarden aan het roskammen, alsof er niets is gebeurd.
Uit de straten en stegen die uitmonden op het plein komt volk toegestroomd. Verbaasde monden hebben het over de komst van een rijke edelman, misschien zelfs wel de prins want zulke mooie paarden heeft zelden iemand gezien. Het zwarte, stijlvolle kostuum van de koetsier verraad ook dat de geblindeerde wagen iemand van hoge komaf herbergt. De spanning onder het volk neemt toe, wie kan er zo’n haast hebben dat hij zich niet bij de poortwachter meldt?
De doorgang naar de koets wordt door de massa mensen bemoeilijkt voor de poortwachter. Hij is verantwoordelijk voor de ontstane onrust, hij moet ingrijpen maar het lukt niet. Het gedrang is te groot, de mensen zijn te opgewonden door de mogelijke komst van de prins, hij komt er niet doorheen.
Op de trap van het stadhuis verschijnt de burgervader. Ook hij is ruw gewekt ziet de poortwachter. Gerustgestelder dan hij was ziet hij hoe de burgervader de trap afdaalt waar als natuurlijk een haag mensen hem de doorgang verschaft naar de koets.
Onnatuurlijke stilte.
Collectief ademloos kijkt men toe hoe de koetsier de deur van het rijtuig opent.
De burgervader, slechts op een paar passen verwijderd van de koets, heeft het beste zicht op wie of wat zich in de koets bevindt. Zijn mond valt open als hij terstond op zijn knieen valt.
Dit was niet aangekondigd. Hier is de stad niet op voorbereid.
